|
Landsmeer,
|
|
|
Nieuws uit de regio
Jan Wolkers, wie kent hem niet. Al jarenlang een fenomeen. Maar wie de laatste tijd zijn veelvuldige televisieoptredens ziet kan constateren dat zijn stormachtige levensloop zo'n beetje tot stilstand is gekomen. In augustus 1968 liep ik in Amsterdam opeens naast hem in een demonstratie tegen de Russische inval in Tsjecho-Slowakije. "Viva Dubček!", riepen we. Bij die inval waren ook de Oostduitsers betrokken. En daarom hield Jan Wolkers een zelfgemaakt bordje in de lucht waarop de letters DDR werden uitgelegd als "Duffe Duitse Rotzak". Hoewel hij vele boeken heeft geproduceerd is hij nooit een groot literator geworden. En zijn sculpturen zijn ook al te vervelend om aan te zien. Op zijn oude dag heeft Jan ("Voorzichtig! Hier slaapt een egel. Niet wakker maken.") nu weer nieuwe bordjes gemaakt. Voor "Landschap Noord-Holland"; ze liggen her en der te koop in de supermarkt. En Jan heeft ze niet alleen verzonnen, ook onze eigen Bert Mewe (evenmin een creatieve grootheid) heeft zich op het literaire pad begeven met de supertekst: "De boodschap van het landschap in Noord-Holland laat zich kennen als je natuurlijk kijkt" (jazeker!). Wie is er nou zo gek om zulke
onzin ("Zie daar, een reusachtige piramide van
lindegroen!") in zijn tuin te zetten? Daar moet je
wel een ontzettend duffe ouwe socialist voor zijn.
Zoals Joop de Dood. Of Hans Brosse misschien, als
die een tuin heeft tenminste. Toch eens gaan
kijken in de Raadhuisstraat....
Ik herinner mij hoe ik in mijn jonge jaren op een winteravond op de Kanaaldijk stond. Mijn zwarte rubberen kinderlaarsjes (Hevea) vastgezogen in de grijze blubber waartoe het onverharde wegdek van hoogovenslakken door dooi en regenval was verworden. Naast mij stonden mijn vader en Albert Lemkes hun kippenhouderspraatje te houden, terwijl zij uitkeken over de toen al schier oneindig lijkende stroom auto's die zich in het vallende duister aan de overkant van het kanaal langs de Jaagweg verplaatste. De enorme koplampen van de auto's waren in die tijd nog niet zo nauwkeurig gericht en ze straalden als de lichtbundels van een afweergeschut in de oorlog schots en scheef door de lucht. "Het lijkt de illuminaatsie wel", sprak Albert opeens met diepzinnige stem. Wat hij daar precies mee bedoelde was mij niet helemaal duidelijk maar zelfs als kind kon ik mij er toch wel iets bij voorstellen. Net als mijn vader leeft Albert Lemkes al lang niet meer. Maar als hij er nog wel was geweest zou hij dezer dagen ongetwijfeld zijn diepzinnige uitspraak hebben herhaald. Op de Kanaaldijk zijn namelijk heuse verkeerslichten geplaatst. Niet om het tegenwoordig ook aan onze zijde voortrazende verkeer in te tomen, dat lukt toch niet. Ongeveer ter hoogte van de plek waar Albert vroeger met honderden witte leghorns en rode Barnevelders samenwoonde in zijn zwart geteerde kippenhok, staan stoplichten op twee plekken waar kleiachtige zwarte grond uit binnenvaartschepen over de rijweg heen wordt overgeslagen in rijdende kieptrailers en varende platbodems. Deze grond wordt gebruikt voor de sanering en afdichting van de vuilnisbelten die onverlaten in de jaren vijftig van de vorige eeuw in het Ilperveld hebben opgeworpen. De aanvoer van de moddermassa brengt gelukkig weer wat gezellige bedrijvigheid in het kanaal met zich mee waar het veel te stil was geworden nu de andere boten niet meer varen om het zand te brengen waarmee Weidevenne werd volgeplempt. Bij Plemp/C1000 kom ik tegenwoordig alleen nog maar op een rustige doordeweekse dag om mijn lege flessen in te leveren. De echte wekelijkse boodschappen haal ik nu in Purmerend waar je tenminste bij de supermarkt nog rustig kunt parkeren zonder de hete blauwe zoneadem van dorpsdiender Plakke in je nek te voelen. En dus reed ik vorige week vrijdag voor mijn boodschappen langs het kanaal in noordelijke richting. Bij de prutoverslag stond het stoplicht op rood. Gezagsgetrouw als ik ben, bracht ik mijn auto voor het licht tot stilstand. In de vele minuten die daarop volgden ontstond achter mij een echte file van geleidelijk aan steeds onrustiger wordende automobilisten. Bij de overslag gebeurde namelijk nauwelijks iets maar het licht bleef op rood. Totdat de machinist van de kraan op de boot uit zijn bestuurdershokje kwam om mij heftig gesticulerend te duiden dat ik gewoon door moest rijden. Was ik nou helemaal van de ratten besnuffeld geworden om zonder reden te wachten voor een rood stoplicht? Een uurtje later reed ik weer terug naar huis. Ook aan de andere kant stond het stoplicht op rood. Maar daar trapte ik natuurlijk niet meer in en ik reed gewoon door. Tot ik bij de baggerboot tot stilstand werd gedwongen door dezelfde woest tierende kraanbestuurder die uit zijn hokje kwam om mij toe te schreeuwen hoe ik dat in mijn kop haalde. Was ik nou helemaal van God los om door het rode licht te rijden? Plankgas gierde ik voorbij terwijl de kleiklodders uit zijn happer neerdaalden op mijn autodak. Een kwartiertje eerder had ik in Purmerend gezien dat de daklozenkrantverkoper bij Albert Heijn was teruggekeerd van een drieweekse wintersportvakantie. Kijk, na zo'n constatering kan zelfs een geschifte kraanbestuurder aan de Kanaaldijk mijn dag niet meer verpesten. |